Proza

JANSEN EN WEEDA AAN DE WANDEL

En aldus gingen Jansen en Weeda uit lopen. En tijdens hun lopen troffen zij een oude heer, blind, gezeten op een boomstronk.
“Goedendag, jongemeester.” sprak de man, en Weeda sprak een wedergroet.
“Oude man, wat doet u hier?” zei Jansen.
De oude man sprak: “Ik zit.”
“Ja!” zei Jansen, “Dat zie ik. U bent gezeten, juist, al op dat daar boomgestronk. Maar,” vroeg hij de blinde, “waartoe?”
De oude man fronste zijn rimpelig schedelfront en zei:
“Waartoe? Waartoe? Met die uitdrukking ben ik niet bekend.”
Jansen keek om zichzelf heen: het zou spoedig regenen gaan, dat leed geen twijfel.
“Oude man, u zit daar toch? Gij heeft u daar toch neergezet, was het niet gij, uzelf? Wel dan, voelt u niet dat het regenen zal? Nog altijd blijft gij zitten. U heeft daar toch gedachten van, zeg vlug, verdomd, waartoe?”
De oude man herzat zich een weinig, en sprak achterlips:
“Jongeluisgeneuzel.”
“Welja!” riep Jansen, “Zo tracht men een beleefd gesproken woord te voeren, zo wordt men beschuldigd van neuzelarij!”
Hij begon weg te benen, en verklaarde over zijn schouder: “Kom reeds, Weeda. Wij voorten ons van deze dwaas. Kent niet eens zijn eiggekozen waartoe. Ik vraag je…”
Toen zweeg hij, want hoewel hij al metertallen had belopen, stond achter hem Weeda nogsteeds op zijn stand.
“Weeda.” deed Jansen een tweede maal, “Kom reeds.”
Maar Weeda hield zijn stand.
“Weeda, zie je niet de regen komen? Waartoe sta jij ongeroerd?”
“Waartoe?” vroeg Weeda, met een wazige gloed in de ogen, “Met die uitdrukking ben ik niet bekend.”

Zie voor andere prozateksten: Meer opties, rechts-onder