Meneer van der Vaart en de Smaak

Niet vaak, maar toch van tijd tot tijd, betaalt meneer van der Vaart een klein bedrag om te mogen ruiken aan de tanden van Latoyah.

Het begon in bed. Zijn nachthemd aan, beneden bloot, onder de dekens, nog maar net het lichtje uit toen hij het proefde. Diep, achter op zijn tong lag het, en Meneer van der Vaart kreeg het niet weggeslikt. Aanvankelijk dacht hij er wel doorheen te kunnen slapen, maar het stoorde hem toch teveel, dat er klaarblijkelijk iets in zijn mond zat, verstopt, en smaak wasemde. Een bijzonder onaangename smaak bovendien, iets van rot, iets van vlak na het flossen wat je dan met een voldaan gevoel wegmondwatert. Even door de viezigheid heen om je daarna schoner te weten. Zo’n smaak. Dat mocht niet een nacht lang blijven hangen, dat kon niet goed zijn.
Dus glipte meneer van der Vaart uit bed en slofte naar de badkamer. Hij mengde zijn mondwaters en spoelde uitgebreid, tweemaal. Het schroeide en knisperde in zijn mond, een beetje pijn zoals dat heet. Niet onaangenaam. Hij spoog het uit, spuugde twee keer na, en nam een slok water. Toen wachtte hij. Fris, ja, maar de eerste frisheid kwam van smaakstofjes en alcohol. Meneer van der Vaart was niet van gisteren: die eerste frisheid bleef nooit lang. Dus hij wachtte.
Een beetje slikkend.
Proevend.
De smaak kwam terug. Viezer nog, want vermengd met de mondwaters, wat het geheel een tegennatuurlijk aroma gaf, iets als geparfumeerd dregsel. Meneer van der Vaart pakte een stuk flosdraad. Er waren drie plekken waar zo’n smaakje vandaan kon komen. De eerste was zijn kunstgebit -niet compleet, maar een gedeeltelijke prothese voor zijn snijtanden boven. Die lag echter in een glaasje azijn te weken naast de spiegel. Nog twee plekken dus, links en rechts achter, boven. Hij wikkelde de draad om zijn vingers en haalde hem door de kieren. Niets. Hij legde een knoopje dat hij door de kieren heentrok, als een trekhaak. Niets. En de smaak leek alleen maar sterker te worden. Iets poepigs had het nu, zodat meneer van der Vaart ook zeker wist dat het stonk. Hij schraapte zijn tong, zo diep dat hij meermaals kokte, pulkte langs elke tandrand met in totaal vier tandenstokers, floste elke kier waar de draad maar tussen paste, poetste zijn tanden vijf afgemeten minuten lang en spoelde tot slot nog eens twee maal met de mondwaters. De smaak bleef.
Meneer van der Vaart begon het warm te krijgen. Zweethanden, pufferige ademhaling. De smaak bleef. Hij zat te ver naar achter, te diep in zijn keel, een smaak van poep en vergaan vlees, van rot, van dood… Verderfelijk, en het ergste was: het was zijn lichaam dat hij proefde. Zijn eigen vlees. Zijn eigen rot.
Verslagen, vernederd liep meneer van der Vaart terug naar zijn bed. Op het klokje las hij af dat hij drie kwartier bezig was geweest. Het was tien voor half tien. Meneer van der Vaart zat op de rand van zijn bed, nachthemd aan, beneden bloot, met zijn nagel nog wat pulkend rond zijn tanden, maar ze waren schoon. Zijn tong voelde droog, en langzaam verspreidde de smaak zich weer door zijn hele mond, als het startpunt van een vreselijk verval. Al het gewonnen terrein verloren, een mond vol stank, en het ergste, het allerergste was dat het niets uitmaakte. Niemand zou het merken.
Niemand zou hem ooit nog kussen. Niemand zou zelfs maar zijn adem ruiken. Ja, de meisjes bij de kassa, als hij hard blies, misschien. Maar niemand zou iets zeggen. Ze zouden alleen wachten tot hij weg was.
Hoe hij rook of proefde, hoe hij kuste, hoe en wie hij was… eigenlijk deed het er niet meer toe. De smaak in zijn mond, de smaak van de dood, was niet het begin maar het eindpunt de verspreiding, die al lang, lang geleden was ingezet, veel dieper van binnen.

Meneer van der Vaart stond op, in zijn nachthemd en beneden bloot. Dit kon zo niet. Hij was niet dood. Het deed er wel degelijk toe of hij uit zijn mond stonk, of hij vies proefde, wat hij deed en wie hij was. Hoe hij kuste. Meneer van der Vaart kleedde zich aan, kamde zijn haar en vertrok.
Op het eiland was het drukker dan hij had verwacht, en het duurde even voor hij de moed had om naar één van de boten toe te lopen. Hij had bewust niet gekeken wat voor een meisje het was. Met neergeslagen ogen liep hij de kleine loopbrug over, en toen hij opkeek bleek ze donker te zijn, waar hij even van schrok. Hij had nog nooit een zwart meisje in zulke kleren gezien -BH, onderbroek, visnetpanty- laat staan dat hij er één had gekust.
Voor hij er verder iets van kon denken stapte het meisje bij het raam vandaan en opende de deur.
“Pijpen 50.” zei ze, als een soort code. Het duurde even voor meneer van der Vaart de betekenis ontcijferd had. “100 zc.” voegde ze toe.
“Eh, ja.”
“Ja?”
“Nee, ik vroeg me af of, eh…”
“Hoeveel heb je bij je?”
Geld, natuurlijk. Meneer van der Vaart keek in zijn portemonnee. Vijftien.
“Kan ik hier ook pinnen?”
Het meisje glimlachte. Grote, schone tanden, die ongetwijfeld heerlijk roken.
“Ach schat. Nee, je kan hier niet pinnen. Linkerkant van het tankstation. Maar zullen we dan eerst een prijsje afspreken? Dan wacht ik op je.”
Meneer van der Vaart keek naar het tankstation. Het kwam hem voor als een reddingsboei, een prachtige oase van normaliteit, waarvandaan normale mensen stiekem even spiekten naar wat voor mannen hier zoal kwamen, en verdomd hij stond ertussen. Bijna zette hij het op een lopen, maar hij kreeg de kans niet.
“100 doen? Zonder condoom?”
“Nee, ik, ik vroeg me af of je me wilde kussen.”
“Ach.” zei het meisje, en ze keek hem vertederd aan, nog altijd lachend met grote schone tanden. Ze schudde haar hoofd. “Nee schatje, dat doe ik niet.”
“Ik wil weten hoe ik proef. Smaak.”
“Lieverd, luister, ik kan je niet helpen, maar een paar boten verder zit Latoyah. Blauwe gordijnen. Zij doet de zoenfetisjisten. Maar ze is niet goedkoop.”
“Zoenfetisj? Nee. Ik heb een vieze smaak in mijn mond.”
“Ja ja. Spuug drinken, proeven, rochelmassage… Latoyah, schat. Doe haar de groetjes. Moet ik nu weer achter mijn raampje gaan staan, goed? Veel plezier.”
Ze sloot de deur.
Meneer van der Vaart draaide zich om en liep de loopbrug af, ogen naar de grond. Hij stak de weg over, recht op het tankstation af. Terug naar de normale wereld. Laat ook maar. Kussen was duidelijk niet meer wat het geweest was. Als het zo moest, kwam het meneer van der Vaart voor, dan was het maar beter was dat niemand wist hoe hij proefde.
Hij kocht een pakje kauwgom en keek naar de boten. De blauwe gordijnen waren dicht.

Geen opmerkingen

Geef een antwoord

Uw e-mail adres wordt door ons niet gedeeld.Verplichte velden worden aangeduid met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.