Ik zeg toch sorry – TG Kwatta

We zitten niet stil!
Inmiddels gaat “Ik zeg toch sorry” bij TG Kwatta de klassen langs. Een voorstelling over de (on)mogelijkheid van vergiffenis, en de zin en onzin van sorry zeggen. Gespeeld door de geweldige Joost Dekker en Michiel Bijmans, in regie van Josee Hussaarts.

Hieronder een voorproefje:

J:
Chiel, denk jij nog veel aan toen?

M:
Net eventjes, toevallig, maar…

J:
Nee. Nee. Ik ook niet. Helemaal nooit. Nul. Totaal niet.

M:
Zal ik—

J:
Maar ik zie jouw naam, boek, vergeven en vergeten…

M:
Okee.

J:
Michiel heeft toen wij klein waren…

M:
Ho.

J:
Mijn lievelingsspeelgoed was een autootje.

M:
Hier is geen tijd voor.

J:
Een autootje. Met je wereldvrede.

M:
Juf? Hij verstoort de les. Jij bent een soort inbreker, nu, Joost. Niemand kent je. Dus…
Zij willen mijn verhaal horen. Niet iets van jou.

[maakt weer aanstalten te gaan lezen, maar net als hij wil beginnen:]

J:
Dat autootje, mijn lievelingsspeelgoed. Ik denk wel dat ze het willen horen.
Van mijn oma gekregen, met een draadje.

M:
Ja.

J:
Je weet het nog.
Ik was er zo blij mee dat ik hem meenam—Misschien kan jij het beter vertellen, als je het nog zo goed weet.

M:
Luister, dit…

J:
Ik speelde tot de batterijen leeg waren en toen de batterijen daarna, en daarna, en daarna nam ik hem mee naar school. Nou: heel het plein kwam kijken. Iedereen die normaal niets met mij moest. Ik was nieuw hier. Een kneus.

[M naar J, fluistert, probeert discreet te doen.]

M:
Joost, is dit niet iets voor tussen jou en mij?

J:
Nee. Ik zal ze eens een gastles geven, over jou.
Met dat autootje waren ze ineens allemaal mijn vriend. En: eerlijk delen en iedereen mag meedoen. Dat zei de juf. En ze waren met heel veel, dus speelde iedereen met het autootje, behalve ik.

M:
Stop.

J:
Eerlijk delen. Stond ik daar. Was ik weer alleen.
Keek er weer niemand naar me om.
Alleen maar met die auto, allemaal.
Maar ik zag iets liggen, een knuffel. Hondje. Zomaar opzij gegooid. Zo groot. En hij kon niks, maar hij was lekker zacht met een lieve snoet, en…

M:
Genoeg. Dit, dit, dit—

J:
—Een lieve snoet.
En daarmee ben ik gaan zitten, weg van de rest, terwijl iedereen lachte en deed met mijn, mijn autootje.
Sofie. Zo noemde ik haar en we speelden en ik aaide haar. Ze begreep me. Weet je wel? Niemand moest mij, kneus, maar Sofie…
En niemand keek naar d’r om, net als naar mij. We waren samen.
Aan het eind van de pauze ging de toeter, want meester Eric deed altijd de toeter in plaats van de bel. Hadden we twee minuten om in de rij te staan voor naar binnen. Kwam iemand naar me toe, met mijn autootje in de hand.

M:
Ja.

J:
Jij. En je zei: “hee, je autootje.” Vies. Onder het zand. Met krassen. En je zei: “de batterijen zijn leeg.” En je keek naar Sofie, mijn knuffel, en je zei:

M: (zacht, beschaamd)
Ruilen.

J:
Ruilen.
Zullen we anders ruilen? -zei je.
“Is dit jouw knuffel?”
En jij knikt.
Toch?
En ik zeg: hij is heel lief. “Hij.” Durfde niet te zeggen dat ze Sofie heette.
Jij zegt: “ja he?” Dat je hem helemaal met je eigen spaargeld, wekenlang, dat je aan de winkel had gevraagd van “kun je hem apart leggen, want dan ga ik heitje voor karweitje en sparen” enzo en na wekenlang had je genoeg om hem te kopen van je eigen geld.
Best bijzonder, want we waren echt klein, he?

M:
Ja, we waren…

J:
Tien. Negen. Dan doe je niet zoveel met je eigen geld.

M:
Nee.

J:
Heb je überhaupt niet zoveel eigen. Dan is het alles delen.
Maar dit… Dit was echt jouw knuffel. Daar had jij hard voor gewerkt en gespaard. Mijn autootje had ik maar gewoon cadeau gekregen, en hij was stoer en snel, maar hij was niet lief. Niet zacht. Hij begreep me niet.
Niet zoals Sofie.
En hij was vies, met lege batterijen.
Dus ik zei: weet je dat zeker? Ruilen? Nadat je zoveel moeite hebt gedaan?

M:
Ik…

J:
“Ja hoor,” zei jij. “Als jij hem zo leuk vindt, dan…”

M:
Dit is zo lang geleden…

J:
Dus ik kijk naar Sofietje, met haar mooie begrijpende oogjes. En naar mijn auto, leeg, en vies, en…
“Goed.”

M:
Ja.

J:
Ik had nog nooit echt iets geruild. Ik wist niet zo goed hoe. Maar jij stak je hand uit, en we schudden, en toen liep jij naar de rij en ik zat daar met Sofie en ik was heel blij dat ik haar had, en toch ging ik huilen.

M:
Het is niet mijn schuld als jij… Precies waar mijn boek over gaat.

J:
Dat was niet het einde.
Thuis. Mijn moeder boos, want ik had mijn cadeautje weggegeven.
Dan was ze maar boos. Ik had Sofie en dat was fijn.
Twee dagen later komt Timo spelen.

M:
O nee.

J:
Klasgenootje. Weet je Timo nog?
Had mijn moeder geregeld, dat ik wat meer vriendjes kon maken. Dat hij zelfs mocht logeren ook al kende ik hem helemaal niet —juist daarom, zei ze. Terwijl Timo was een pestkop eerste klasse.

M:
Eerste klasse. Absoluut.

J:
Dank je.
Ik wilde helemaal geen vriendjes worden met Timo.
Die komt bij mij thuis en ik had Sofie verstopt zodat hij er niks stoms over kon zeggen, maar hij vindt haar toch en hij zet zulke ogen op en wijst en zegt “o-hoh! die heb jij bij school vandaan.”
Nee, ik had hem geruild, zei ik. “Hem”, zei ik.
En hij zei dat dat niet kon. Dat het speelgoed was van de kleuters. Uit de speelgoedmand. Van school.

M:
Ja.

J:
Niet van mij.

M:
Nee.

J:
Niet van jou.

M:
Nee.

J:
Van de kleuters. Niet gespaard.

M:
Je moet nu niet…

J:
Niet gewerkt.

M:
Nee.

J:
Niks. Want ze was niet van jou. Nooit geweest.
En nu was ik een dief. Had ik haar gestolen van school. Ik ging weer huilen. En schreeuwen dat Timo naar huis moest: weg!
Timo’s moeder moest hem komen halen en mijn moeder was weer boos want ik wilde niet zeggen wat er was. Ik wilde niet dat ze het wist.
De volgende dag op school noemde iedereen me een dief. En ik zei dat het niet waar was, en zij zeiden van wel.
Dus ging ik weer in mijn eentje zitten. Zonder Sofie. Zonder autootje. En de juf kwam en vroeg wat er was. Maar ik zei niks. Ik was een dief.

M:
Luister, Joost…

J:
Die knuffel. Die helemaal niet Sofie heette, en helemaal niet mij begreep. Ik haatte die knuffel. Ik haatte Timo. Ik haatte jou. Maar ik kon hem ook niet terugbrengen, dan zou iedereen het weten. Ik moest er van af. Weggooien. Stiekem.
Door jou. Allemaal door jou.

M:
Het gaat niet om schuld.

J:
In twee plastic zakken, dichtgeplakt met zoveel plakband als ik maar kon vinden. Op de fiets, op zoek naar ergens waar niemand van school kwam. Een park. Daar in zo’n prullenbak naast een bankje: weg. Met een brok in mijn keel.
En de volgende dag op school had jij mijn autootje mee, en ik mocht er van jou niet mee spelen.

M:
Nee.

J:
Nee.

Geen opmerkingen

Geef een reactie

Uw e-mail adres wordt door ons niet gedeeld.Verplichte velden worden aangeduid met *