Auditie-monologen voor mannen

Na de vrouwen-editie zijn nu de mannen aan de beurt:
Er is veel vraag naar écht korte monologen, rond de tien zinnen, maar het is bijna onbegonnen werk om uit al die volledige teksten zelf een perfect fragment te vinden.
Hieronder een selectie van monoloogjes en fragmenten uit mijn werk, waarin ik hoop dat je lekker je emoties kan laten gaan, en kunt laten zien wat je in je mars hebt. Dertig stuks!
Ook als je geen auditie hebt: geniet ervan.

1- Lucas’ kamer, uit: Underland

Lucas:
Zie hier: de toekomstvisie van een onafhankelijke entrepreneurische levenvisie.
Daar ben ik nog mee bezig.
Welkom.
Zie je? Dat bedoel ik.
Eten, drinken. Stront valt er gewoon doorheen. Kweekkamers. Slaapkamer. Hier kunnen ze dan neuken. Bevruchting, heet dat. Vijfhonderdzeventien uren later: baby’s. Even rustig zetten tot ze groot genoeg zijn, opvetten, en de reis eindigt bij de emmer. Verdrinken.
Mooi, he?

2- De ratten van Lucas, uit: Underland

Lucas:
Dit hier, da’s de moeder. Moetje. Dat was een wilde. Krijsen. Bijten. Maar je laat niet los, he? Mijn hele arm. Bloeden! Die is groot geworden van mijn bloed. Offers gemaakt.
Eerste drie nesten heeft ze stuk voor stuk opgevroten. Terwijl ik zat te kijken. Schrok me ‘t leplazarus. Maar ik heb d’r een pak rammel gegeven en sindsdien…
Dit is, waar ben je? Snuffels: kleindochter. En nou bijten ze nog maar zelden.

3- De filosofie van Lucas, uit: Underland

Lucas:
Productie. Ken je dat? Da’s maken. Zelf maken. Maar ja: geen licht, geen planten. Planten hebben zonlicht nodig, maken ze de dingen. Maar dieren. Dieren eten elkaar. Kip eet vis, vis eet koe, en zo voort. Wat je ze maar voert. Jij zegt: rattenvlees is niet lekker -Haha! Vlees smaakt naar wat je het voert. Daarom eet ik ook geen kip. Eet iemand hier kip? Hiero. Denk nou eens na. Kip.

4- De vossen, uit: Wie het water niet keert

Arie:
Dat kan ik wel zeggen, eventjes: die vossen wonen dus op het water… terrein van de waterfilters. En die mensen die ergeren zich daar dood aan, want je mag die vossen niet verstoren, terwijl: zij willen ‘m gewoon weg hebben. Ze hebben ook een jager tegen de konijnen, omdat die de boel ondergraven, natuurlijk. En die arme man loopt dus elke keer langs dat hol. Want je ziet dat hol zo zitten, recht onder je neus. En, als jager, zo’n vos…  Maar hij mag er niet aankomen. En zo krijg je dus dat er veel vossen zitten. Ik hoorde van iemand die hier was met oud-en-nieuw, een beetje weg van de drukte van de stad, en die liep rond twaalven terug, vanaf de Brienenoord, zeg maar, en die zag daar midden op de dijk, zag ‘ie d’r zes zitten. Die waren dus blijkbaar tevoorschijn gekropen, en zaten met z’n zessen naar het vuurwerk te kijken. Die weten natuurlijk niet…

Die wilden overzicht hebben, denk ik. Weten wat er aan de hand was. Maar die vrouw zei dat ze na een paar minuten wegliepen, dus blijkbaar kon het ze toch niet… interesseren.
Weer de bosjes in.

[zacht:]

Waar was ik?”

5- Arie is geen acteur, uit: Wie het water niet keert

Arie:
Eh…
Maar goed, dat is…
Dat is terzijde.
Het is natuurlijk ook allemaal een beetje onwennig.
Ik zeg nog: nee, dat soort dingen dat doen mensen die er verstand van hebben, dan krijg je een tekst en daar hou ik me toch niet aan.
Maar: nee, dan doe je gewoon zoals je bent.
Nou, dat kan ik wel.
Dus maar als ik een te declamerende toon aansla dan moet je dat maar gewoon zeggen, want soms…
Dat is natuurlijk niet de bedoeling.
In ieder geval, wat ik zeg… Waar was ik nou?

6- De zware criminaliteit, uit: Wie het water niet keert

Arie:
Er zat hier dus zware criminaliteit. Hier vlak naast. En dat wisten wij niet, maar de politie was naar mij toegekomen:
joh, jij bent ambtenaar geweest, hebt een toezichthoudende functie gehad…

[stilte]

Dat is misschien nog wel even belangrijk om te vertellen, trouwens. Want anders…

[twijfelt]

Ja, heel even dan, want het is wel belangrijk.
Ik weet dat ze niet vinden dat dit erbij hoort, maar het is nu eenmaal gebeurt, dus ik zeg het gewoon. Nee, wacht, nee, ik…
Beter van niet.
Als ik eenmaal afgeweken ben van de lijn… Ik ken mezelf.
Nee, ik blijf eventjes…
Waar was ik?

7- Erwin voelt er weinig voor, uit: De Kopiist

Erwin:
Ik hoef mij hier niet te verantwoorden.
Ik hoef niet eens te praten als ik dat niet wil.
Ik zeg iets omdat ik het wil zeggen. Niet omdat het mij gevraagd wordt, door u, of wie dan ook. Niet omdat ik u iets schuldig ben, of omdat ik me verplicht voel, of omdat ik bang ben voor de stilte.
Omdat ik het wil.
Ik ben helemaal niet bang voor stilte.

8- De man doorziet het, uit: Crisis, een monoloog

MAN:
Dus ren jij maar lekker rond, daarboven. Met je spaarrekening. En, die dus niks meer waard is! Zometeen! Ik heb hier genoeg rantsoen voor drie maanden, een man alleen.

En als ik bovenkom, dan zullen we eens zien wie wie uitlacht. Als die Pleuro, die Neuro Zeuro Meuro niks meer waard is, en ik hier als een koning… Herrijs. Omdat ik vooruit denk, Emma. Dat is jouw probleem, jij kunt niet voor jezelf, onafhankelijk nadenken.”

9- De receptionist wijst het af, uit: Modder

Receptionist:
Zelfs als het kon, het is niet toegestaan.
Het is één grote chaos. Drie, vier meter. Drijvende kadavers. Stank die mijlenver, als mist zo dik boven het water hangt. Ze zeggen dat sommige van die beesten honderden meters zwemmen -ziet u het voor zich- verstrikt raken in prikkeldraad. Dat ze daar hangen, honderden, in kaarsrechte rijen. Je moet er toch niet aan denken? Wist u dat sinds dinsdag het aantal vermisten toeneemt? Toe! Ze zeggen het. Ik snap dat niet. Wat wilt u daar?

10- De receptionist is verontwaardigd, uit: Modder

Receptionist:
Het is wachten tot er iemand doodgetrapt wordt. En elke dag komen ze met meer.
Ze hebben bevel ze af te schieten, maar doen ze niet. Je reinste muiterij. Lijken ruimen ho maar, maar de koeien blijven komen. En koeien, alla, maar nou komen ze ook met paarden. Even onder ons, die mogen ze wat mij betreft meteen neerknallen. En dat is niks… Ik vind het prachtige dieren, paardenvlees heb ik ook nooit… Maar je weet het niet met paarden. Weet u wat het is? Ze weten het.

11- De man die grenswacht zou zijn, uit: Schuld

DE MAN DIE GRENSWACHT ZOU ZIJN:
Eeuwige dienst. In dienst van de rechtstaat, begrijpt u wel? Democratie. Het leven is mijn dienst. Voor de autoriteiten. Jazeker. Een grens slaapt niet, hoor. Ha, leer mij de grens kennen. Daar niet. Daar niet. Hier. Een eed, gezworen op bloed en… democratie. De grens is mijn herder, mij ontbreekt niets. Al moet ik door dalen van duisternis en dood, ik ben voor geen onheil bang, want de grens is met mij. Hier. Het lijdt geen twijfel dat ik grenswacht ben, dacht ik zo.

12- De consorten leggen een probleem uit, uit: Schuld

CONSORTEN:
Hij is een zakenman.
Hij geeft een voorschot. Simpele transactie.
Hij betaalt. Dan geef jij hem iets terug.
Hij betaalt voor een volle tank, op een gezette tijd, op een gezette plaats. En die heeft hij niet. Door jou. Dus krijgt hij van jou alsnog een volle tank, op een gezette tijd, op een gezette plaats. En… nog iets. Rente.
Hij loopt vertraging op, dus dat is niet meer dan redelijk. Voor hem was het vandaag eigenlijk al morgen. En nu, nu is het vandaag. Door jou.

13- Een pleegvader, uit: Schuld

VADER:
Bij mij op de middelbare school hadden we ook een jongen die, eh, uit een pleeggezin. En die had zo’n hekel aan, nou, vooral aan die pleegvader. Ik heb dat altijd, we hadden het er nog over, dat dat zo begrijpelijk is. Zo begrijpelijk. Terwijl, er hoeft geen reden voor te zijn. Helemaal niet.

[stilte]

Luister, ik… Ehm… Wil je je kamer zien? Natuurlijk, we gaan eerst je kamer zien. Er zijn nog niet zoveel spullen, maar we dachten: dat wil je dan misschien samen met ons… Dan kun je zelf een beetje kiezen wat je leuk lijkt. Toch?
Wij kunnen dat wel voor je verzinnen, maar…

[stilte]

Kom. Gaan we het even…

14- De pater raakt in paniek, uit: Schuld

PATER:
Ik ben niet boos, ik… Misschien ben ik wat prikkelbaar. Ik eet niet, weet u. Ik merk dat ik soms anders reageer. Vergeef me, dat is de honger die spreekt, en dat is mijn eigen keuze, dat weet ik, ik zoek geen excuses, maar u kunt toch wel met mij praten?
Ik zit hier nu vier -nee, vi… dinsdag, is dat zes dagen? Ik mag toch iemand bellen? Ik mag toch mensen ontvangen? Mijn dokter, de, de interviews.
Ik mag iemand bellen. Hallo? Ik mag iemand bellen. Hallo?

15- Baba de blinde krijgt bezoek, uit: Schuld

BABA:
Ik ruik een vrouw, en… Hond? Geit? Een aapje? Ja, een aapje dat zich te lang niet heeft gewassen. O nee, het is Rafik. Hoe kan dat nou? Wat een misverstand! Kleine opdonder.
Rafik, is dat bloed wat ik ruik?
Het spijt me, zouden wij daar een glaasje van kunnen delen?
De droogte… Mag ik?
Rafik, wat ben je stil. Wie is deze vrouw die je hebt meegenomen? Ik hoop toch dat je tegen haar wat spraakzamer was. Dat is niet beleefd tegen een gast.

16- Baba vertelt, uit: Schuld

BABA:
Weet u hoeveel droogtes ik heb overleefd?
Ze laten steeds meer aandenkens na. Of nemen ze mee. Een hand, een oog, vriendschap. Op een dag vind je je laatste geit, vel over been, dood in de zon. De vallei, de bergen, de grond, de lucht, er is alleen maar stof. Stof en vrienden met een mes.
Ik ben hiernaartoe gekomen. Het was groen, hier, zo ver je kon zien. Hand op de grond voelde je het water. Koel en zacht. Maar water gaat en stof blijft. Ik ben gevlucht, en het is mij gevolgd.

17- De muzikant heeft op straat gespeeld, uit: Schuld

MUZIKANT:
Bij de tunnel, ja. Legde m’n hoedje neer.
Komen daar wat jongens. Buitenlandse jongens. Pakken m’n hoed. Ik zeg: goedemorgen heren. Misverstandje. U dacht natuurlijk: een straatmuzikant, én iemands verloren hoed met kleingeld. Laten we die naar het politiebureau brengen, maar: dat is mijn hoed! Nou, dat vonden ze niet grappig. Drukken ineens een hele grote behoefte uit om gebruik te maken van mijn koordloze telefoon.
Ik zeg: jongens, u mag ‘m best lenen, maar u mag hem niet hebben. Dat stelden ze niet op prijs.

18- De lezer is niet zo blij met het bezoek, uit: Underland

LEZER:
De mooie mensen van het mooie boven. Aapjes kijken in de stront. In de poep. Wijzen naar de aapjes, tussen de tralies door. Niet te dichtbij!
Ja. Is ‘ie een goeie gids? Verstaanbaar? Heeft met ons geoefend, he? Vandaar: ik voel me mede-verantwoordelijk.
Zijn een hoop mensen weggegaan, voor vanavond. Sinds meneer ons besloot te gaan helpen. Zullen wel weg blijven, ook. Ik niet. Ik heb ze zien komen, en ik heb ze zien gaan. Eigenlijk vooral gaan. Alles tijdelijk.

19- De lezer legt zich uit, uit: Underland

LEZER:
Want ik was net zo’n grote hoer als zij, zie je wel? Als jullie. Allemaal in die onbewuste hoop dat ze me ooit een keer per ongeluk misschien de kleinste schijn van een knikje zouden gunnen. Goddank. En dat ik dan alsjeblieft, alsjeblieft, weer honderd keer niks mocht krijgen.

[stilte]

Da’s wel een mooi einde. Heb ik toch nog over het leger verteld, he Guus? Geluksvogel. Kon m’n bek weer niet houden. Ga maar weg. Dit is meteen de laatste keer dat ik het doe. Hoor je? Je plant maar om me heen. Niet meer.

20- Fritjof’s spullen, uit: De Wereld In

FRITJOF:
Een hangende bivakzak. Voorzien van 200D Oxford nylon bodem, waterdichte 70D rip-stop nylon bovenzijde, netgaas geschikt voor tropische en noordelijke regionen. 70D, nou, daar staat die DWR geïmpregneerde binnententdoek tegenover, maar als je nou gewoon een goede slaapzak hebt. Opzettijd: 2 minuten. Gewicht: één kilo honderdzestig.
Dat is dus een minuut sneller, en bovendien, eh, 4… 340 gram lichter. En elke gram telt, dat weet jij ook. Twee minuten, heb je meteen… Je kunt je bagage, hup d’ronder. Want die tent, dat paste allemaal voor geen meter.

21- Giel wil ergens anders wonen, uit: De Wereld In

GIEL:
Die zusters komen twee keer per dag mijn huis in om te kijken of ik al een beroerte heb gehad. Of ze me mee kunnen nemen. Lopen zo naar binnen.
”Meneer den Hartog heb u nog iets nodig?” Teleurgesteld dat ik nog leef.
En dan verontwaardigd, verontwaardigd het gore lef, als ik vraag om een keukenrol, een beetje glijmiddel en privacy, mijn goed recht! Wat denken ze wel?
Gaan ze dreigen mijn internet af te sluiten.

22- Giel ziet wat het probleem is, uit: De Wereld In

GIEL:
Natuur. Nee, aan natuur geen gebrek.
Ga jij maar eens op zoek naar een beetje beschaving!
Dat zit in je: natuur!
Of niet, Merel? Komen jullie soms een beetje natuur tekort, hé?
Wordt hier soms niet genoeg natuur bedreven, is het dat?
Misschien moet je de natuur eens wat meer haar gang laten gaan.
Merel weet wel waar ik het over heb.
Rampetampen, jongen!
Weet jij wel wat een clitoris is?

23- Giel test de boel, uit: De Wereld In

GIEL:
Zo. Daar zit ik dan.
Nu sta ik zeker symbool voor alles dat jij haat? Hè? Dat jij me dan overwint?
Laat zien dat ik ongelijk heb, ofzo? Waarin precies, als ik vragen mag?
Dom joch.
Hallo?
Ik ben het probleem niet, hoor. Met je…
Wat jij zoekt, dat is er niet meer.
Toen ik zo oud was als jij, hè? Je hoort me wel.

24- Giel over vroeger, uit: De Wereld In

GIEL:
Je moeder is dood. Gestorven bij de bevalling. En dit is wat ik er voor terugkreeg. Een lelijk, lamlendig onding van een joch. Nog te lui om je eigen reet af te vegen. Word ik gebeld door je leraar: waarom heeft Fritjof een vieze onderbroek aan? Nou vanochtend was ‘ie nog schoon! Word ik op het matje geroepen.
Waar ben jij mee bezig? Noem jij dit leven? Maak toch eens wat van jezelf!
Weet je, het is een godswonder dat dat meisje bij jou blijft. Arm ding. Een ramp, is het.

25- Giel probeert toch lief te zijn, uit: De Wereld In

GIEL:
Natuurlijk. Als jij dat aan mij… Is toch geen probleem? Leuk feestje. Is ook leuk. Leuk voor Fritjof, leuk voor ons. Tuurlijk. Als jij dat wilt.
Hee, had je die duif al gezien? Kijk dan. Denkt dat ‘ie een hond is ofzo.
Ja, dat voelt zich aangetrokken tot mij: stabiel, he? Heb ik altijd al gehad.
Dieren voelen dat aan. Toch? Dom beest.
‘tuurlijk. Leuk.
Hee, zal ik ‘m in zo’n valletje zetten? Kijken wat het joch doet? Hee? Merel?

26- Giel stelt de belangrijke vragen, uit: De Wereld In

GIEL:
En met Kerst dan? Wat als ik -en Merel dan? Die laat je gewoon achter.
Moet die hier zitten wachten, en eenzaam doodgaan, ofzo? Dacht jij dat?
Je dacht toch niet dat, nee, zo’n meis, die, dat heeft behoeftes!
De postbode en de melkboer, kijk, die wijst ze de deur, maar vroeg of laat komt er een aanhouder, hè? Een Marco of een Ricardo of een Peter godhelpme en die, jongen, die ramt dat meissie van jou helemaal rauw, jongen.

27- Giel over de bevalling, uit: De Wereld In

GIEL:
Wat een idioot.
Wat een ondankbare idioot. Lelijk, en dom, en ondankbaar. Hij was de dood van zijn moeder, heb ik je dat wel eens verteld?
Wat heb jij hier te zoeken, kind? Bij dat jong van mij?
Je bent mooi, je bent jong, je doet iets met jezelf.
Dat joch is een parasiet. Dat zuigt je leeg. Ik zie het gebeuren. Ik zie je wegkwijnen. Wat doe je hier?

[stilte]

Jij bent zwanger.
Mijn god. Zwanger.
Kind, doe het niet. Dood. Weg ermee.
Mijn vrouw, he? Zijn moeder. De mooiste vrouw die ik ooit heb gezien.
Prachtig.
Zwanger.
Ze had al eens een abortus gehad, nou, ik kan je zeggen: dat is niet bevallen.
Waren veel te laat.
Drie maanden.
Goed, vijven en zessen, uiteindelijk: ja, kon nog net, moest ze onder narcose…
Heeft nog maanden lekkende tieten gehad. Misselijk, strontchagrijnig, pijn, altijd moe, huilen…
Ja, vertel je dit met een reden.
Nee, dat nooit meer. Deze liet ze gewoon zitten.
Hij scheurde d’r zowat in tweeën, dat prachtige kleine lijf.
“Nee, ik wil niet meer!”
“Duwen mevrouw! Duwen!”
“Het past niet!”
Ik had ze wel dood kunnen knuppelen: zie je dan niet wat dat gedrocht doet met mijn prachtige vrouw? Het past niet, klootzak!
Nee, dat moesten zij inderdaad ook toegeven, zestien uur later.
Aan beide kanten uitgescheurd. “Ruptuur.”
Van voren anderhalve centimeter, en achter tot d’r kringspier.
Tot d’r kringspier bloot lag.
Vlees, en bloed, en stront en haar.
Zestien uur: stopte die gewoon.
Gedraaid, één wurmig rood voetje wennend aan de kou.
Geen beweging in te krijgen.
Moesten ze d’r alsnog opensnijden.
Voorzichtig dat beentje weer terug, en floep: daar was ‘ie dan.
En daar lag mijn vrouw.
Mijn prachtige vrouw.
Kapot. Uitgescheurd en uitgewoond. Alsof ‘ie d’r had leeggezogen. Een hechting van ijzerdraad hier op d’r buik, en gaas op d’r kut. Dikke, weeïge hangtieten en striae overal. Slappe, lubberende huid.
Het was mijn vrouw niet meer.
Hoe langer ik keek hoe minder ik herkende.
Ingevallen wangen, dikke aders, rode ogen, en zo slap…
Uren heb ik haar nog vastgehouden.
“Het komt goed, lieverd. Het komt goed. Echt. Je wordt wel weer mooi. Je wordt weer mooi.”
God, wat hebben wij gehuild, zeg.

28- Jeroen probeert zich eruit te lullen, uit: Modder

JEROEN:
Als u even luistert. Ik heb ‘m gekocht toen mijn eerste vriendinnetje had gezoend met een andere jongen. Mirda. Jeroen. Ik was vijftien. We hadden twee weken verkering.
Honderdveertien Euro en vijfenveertig cent.
Meer dan al mijn spaargeld.
Ik heb ‘m altijd bij me. Die klip heeft honderden rechterbroekzakken vernield.
Ik zou er nooit iemand iets mee aan doen.
Ik heb hem gewoon altijd bij me.

29- Michel heeft heimwee, uit: Modder

MICHEL:
Prachtige stad moet dat geweest zijn. Zeshonderd jaar oud, toen, 1940. Nou.
Twintig minuten, 100.000 kilo bom. Boem. Die hele binnenstad, heel noord in puin, brandend en rokend en smeulend en dooien en gewonden. Driehonderdtachtigduizendmiljoen daklozen, ofzo, weet ik veel.
In ieder geval: mijn opa woont daar zo noord-oost, tegen Bergschenhoek aan, zegmaar. Dus: veilig als de pest. Geen vuiltje aan de lucht.
Hij ziet dat allemaal gebeuren, wat denk je dat ‘ie doet, man? Prachtig.
Hij loopt de stad in. Mooiste tijd van z’n leven. Ja, je schaamt je d’rvoor, maar hij vond dat heerlijk.

30- De boer leeft voort, uit: Modder

BOER:
Een protesten toen het gebouwd werd. Maar kijk nou eens! He, dikkerds? Jaja. Enige dak dat er nog bovenuit komt! We hebben hier twee verdiepingen droog. Dat kunnen die vrije uitloopkippen niet zeggen.
Die zeggen helemaal niks meer.
Ze komen hier binnen met geweren en gasmaskers op, ik zeg: neemt eens even heel gauw een koude douche. Mijn beessies achterlaten, zeker? Nee.
Goed, ze zijn er niet meer allemaal, zo gaan die dingen, maar ik ga ze hier niet laten rotten, zeg. Dat zijn mijn beessies en daar zorg ik voor.
Zo simpel is het. Ik zeg meneertje als u me aanraakt spring ik zo de modder in. We gaan hier niet die varkens laten verrotten, zeg.

2 opmerkingen

  • David schreef:

    Ik ga auditie doen die een minuut moet duren.
    Ik ben een jonge van 14 jaar oud en ik zie hier niet een goede monoloog tussen staan, heeft u mischien nog een monoloog voor mij?

    Groet David

    • Simon Weeda schreef:

      Hee David,

      Wat leuk dat je het vraagt.
      Uiteindelijk kan alleen jij zeggen of een monoloog goed is voor jou, maar ik kan proberen te helpen. Wat voor een monoloog lijkt je leuk? Zoek je een bepaald soort personage, een specifieke sfeer, een emotie, of een onderwerp?

      Groet,
      Simon

Geef een reactie

Uw e-mail adres wordt door ons niet gedeeld.Verplichte velden worden aangeduid met *